Naar aanleiding van een korte reportage op het VRT-journaal over de verdiensten in de paardensport voelde ik mij genoodzaakt even mijn zegje te doen. Want als er in dit sprookje één figuur is die steevast de rol van goedgelovige boer speelt, dan is het wel… de fokker.
Wij, de eeuwige optimisten van de paardenwereld, beginnen telkens opnieuw met een droom. We fokken een veulen — met passie, toewijding en meestal in weeromstandigheden waarin een doorsnee mens al blij is dat hij enkel de vuilbak buiten hoeft te zetten. Onze infrastructuur is zelden “instagrammable”, maar onze inzet is dat des te meer.
Voor het eerste gehinnik van het veulen hebben we al een halve staatslening geïnvesteerd. Dan volgt de geboorte, een tikkeltje spannend, want er hangt niet alleen een prijskaartje aan, maar ook een risico voor merrie én veulen. Maar goed — het loopt goed af, en daar staat ons pronkstukje. Klaar om op zes maanden verkocht te worden… voor een bedrag dat met wat geluk onze kosten nét dekt. En anders? Dan mogen we er nog wat geld bovenop leggen — als blijk van waardering, waarschijnlijk.
“Ga toch naar een veiling,” zegt men dan. Natuurlijk. Alsof iedereen zeeën van tijd heeft om elk verkoopgala in de wijde omtrek te bezoeken. En dan mag je nog een percentje afstaan ook. Maar bon, daar gaat het nu niet over — al fronzen mijn wenkbrauwen soms gymnastisch verantwoord bij bepaalde hamerprijzen.
Dus houden we het veulen. Tot vier jaar. Vier jaar voederen, verzorgen, facturen negeren en hopen dat alles heel blijft. Dan komt de fameuze en gevreesde röntgen-sessie. Want een paard is tegenwoordig niet alleen een atleet, maar ook een fotomodel. En als die ene linkervoorhoef er op de foto “toch wat raar uitziet”, dan kan de prijs gehalveerd worden — puur op artistieke gronden.
Zijn de foto’s goed? De RX goed? Dan mag er een zadel op. En daarna verhuist ons inmiddels niet-meer-zo-babyachtige paard naar een ruiter. Die vraagt €800 à €900 per maand — volledig terecht, want ook voer, vrachtwagens en verzekeringen groeien niet aan de bomen.
En dan blijkt ons paard braaf te zijn, mooi te springen, maar… geen Grand Prix-wonder. Een geweldig maatje voor nationale wedstrijden. Alleen: een tikje sterk en wat moeilijk in de mond. Net te veel voor een amateur, net te weinig voor een professional. En daar sta je dan als trotse fokker, met een glanzende nieuwe leren halster en een verkoopplan.
“€15.000, meneer. En dan mag u nog blij zijn, want het is toch een moeilijk paard.”
Reken maar uit. Het veulen te jong verkopen is verlies. Het paard houden tot zes jaar… is meestal duurder verlies.
En toch?
Toch doen we voort. Keer op keer. Niet omdat het financieel zo aantrekkelijk is (dat is het niet). Maar omdat er niets mooier is dan nieuw leven op de wei, dan de eerste sprongen, dan het zien groeien van een dier dat je zelf hebt grootgebracht.
Wij fokken niet met onze portefeuille.
Wij fokken met ons hart.
En ja — dat is waarschijnlijk de minst rendabele optie.
Maar wel de schoonste.
Succes aan alle fokkers !!