De Raad van State stelde vast dat de zogeheten Veegplannen 1 en 2 voor het betreffende perceel niet op een voldoende duidelijke en controleerbare manier digitaal beschikbaar waren gemaakt. Daardoor kon niet eenduidig worden vastgesteld wat precies was vastgelegd en welk juridisch kader van kracht was. Volgens de hoogste bestuursrechter is dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Daarnaast kreeg de gemeenteraad kritiek omdat bij het vaststellen van de plannen geen rekening was gehouden met het concrete uitbreidingsvoornemen van de ondernemer en met een reeds verleende omgevingsvergunning. Ook op dit punt oordeelde de Raad van State dat de besluitvorming onzorgvuldig was.

In een afzonderlijke uitspraak werd bovendien het handhavingsbesluit tegen de paardenhouder vernietigd. Door de fundamentele tekortkomingen in de bestemmingsplannen kon immers niet worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake was van strijd met de planologische regels. De gemeente moet hierover een nieuw besluit nemen.

Ook de verleende omgevingsvergunning houdt nog geen stand in haar huidige vorm. Volgens de Raad van State is deze onvoldoende onderbouwd, omdat zij steunde op een bestemmingsplan dat inmiddels is vernietigd. De gemeente krijgt twintig weken de tijd om dit gebrek te herstellen met een aanvullende motivering of een nieuw besluit.

Met de uitspraken lijkt de paardenhouder op de belangrijkste onderdelen van het geschil in het gelijk te zijn gesteld: de relevante bestemmingsplannen zijn vernietigd, het handhavingsbesluit is van tafel en de vergunningprocedure blijft open voor herstel. Daarmee komt na jaren van planologische en juridische discussies mogelijk een einde aan het conflict in zicht.